Persoonsgericht

Veuger: We zullen alles op alles moeten zetten om de zorgbehoefte die op ons afkomt een passende invulling te geven, met passend vastgoed. Hoe denken jullie dat de preferenties in wonen, zorg en welzijn veranderen?

Van Rijn: “We zijn steeds meer op weg naar persoonsgerichte zorg. Van een zorg die afhankelijk is van hoe het toevallig georganiseerd is, naar een zorg die sterk aansluit bij de vraag van mensen. En die vraag verandert. Daarbij komt nog het scheiden van zorg en wonen. Hoe ga je naar meer individuele woonruimtes? Ik denk dat er veel meer differentiatie gaat plaatsvinden. Dat is een enorme uitdaging voor bestaande zorgaanbieders.”
De Goede: “En die ontwikkeling is er natuurlijk al langer. De basis is de vraag hoe je het in de thuissituatie beter kunt doen. Ik noem dat echt een revolutie; we moeten anders gaan denken over zorg in de maatschappij."
Van Monfort: “Daarnaast blijven er ook grote regionale en lokale verschillen. En de veranderingen gaan snel: 3,5 jaar geleden werd na onderzoek voorspeld – en ook door Actiz aangenomen – dat er 853 zorglocaties zouden worden gesloten. Nu zie je veel dat leegkomende appartementen worden omgekat; er wordt in geïnvesteerd in domotica en ict. Op de vrije markt blijken er wachtlijsten voor wonen in zo’n beschutte setting. Die ontwikkeling zal een heel dominant effect hebben.”
De Goede: “Toch vindt er nu ook capaciteitscorrectie plaats, zeker in zo’n regio als waar ik werk.”
Van Rijn: “Klopt. Overigens is dat voor een deel van alle tijden. In vergelijking met vijftien jaar geleden is het aantal verzorgingshuisplaatsen gehalveerd, en het aantal 80-plussers verdubbeld.”

Van Monfort: “Ik denk dat dit echt effect heeft gehad: wat wil mevrouw Jansen uit Emmen nu echt?”
Berden: “Dat consumptiepatroon wijzigt. Mensen blijven langer thuis wonen en zijn dus, wanneer ze in een verpleeghuis terechtkomen, veel afhankelijker van zorg. De manier waarop we instellingen tien jaar geleden inrichtten, is niet meer efficiënt.”
Veuger: Wat valt op als je vanuit buitenlands perspectief naar Nederland kijkt?
Berden: “In omringende landen bestaat de scheiding van wonen en zorg al langer. Maar een ander groot verschil is dat de zorgoperatoren hier vaak erg regionaal zijn, er zijn bijna geen landelijk opererende organisaties.”
Van Monfort: “Wat is het voordeel daarvan?”
Berden: “In essentie is een grotere organisatie niet nodig, maar het voordeel zou kunnen zijn dat er dan misschien meer financiële draagkracht is voor investeringen. “

Koudwatervrees

Veuger: Er is in Nederland in principe vermogen, en het investeringsklimaat. Toch lijkt er veel koudwatervrees te zijn.
Scheijgrond: “De interesse om op een innovatieve manier met zorgvastgoed om te gaan, is er zeker. Maar er is inderdaad een beetje koudwatervrees. Het is voor veel partijen ook onontgonnen terrein. De parameters binnen de zorg zijn niet stevig. In andere sectoren heb je massa. Je kunt zorgvastgoed nu alleen maar vergelijken met andersoortige organisaties, dus het is moeilijk in te schatten. Is een solvabiliteit van vijftien procent voor een zorgorganisatie nu voldoende of niet?”
Berden: “En transparantie is belangrijk. De grote organisaties in Frankrijk, België en Duitsland zoeken ook externe financiering, bijvoorbeeld via de beurs. Dan moeten ze transparantie aanbrengen in de business case en dat trekt weer andere beleggers aan. Natuurlijk moet je tegelijkertijd oog hebben voor lokale verschillen. Maar ik ken organisaties waarvan het uithangbord totaal verschillend is in elke instelling. De gezamenlijke financiële structuur is er alleen achter de schermen.”
Van Monfort: “Met de NL Zorgobligatie proberen we van individuele initiatieven met relatief kleine investeringen mandjes te maken. Zo krijg je grootschaligheid in termen van het aantrekken van vermogen, en houd je tegelijkertijd de kleinschaligheid volledig overeind.”
Van Rijn: “Ja, we willen die persoonsgerichte zorg natuurlijk juist erg lokaal invulling geven. De expertiseschaal voor zorgvastgoedvraagstukken is dus anders dan die van zorgvraagstukken."
De Goede: “Ik vind eigenlijk heel principieel dat het woondeel bij de woningbouwcorporatie hoort. Dan heb ik het niet over verpleeghuizen: dat is heel specifieke bouw. Maar ons uitgangspunt is zo zelfstandig mogelijk wonen, dus de grote vraag naar wonen met zorg en diensten kun je volgens mij het beste beantwoorden via de corporaties.”

Nieuwe woningwet

Veuger: "Dan is wel de vraag: durven corporaties dat ook aan? Er is een nieuwe woningwet. Is het reëel om te denken dat zij daarin echt gaan bewegen?"
De Goede: “Men zoekt nog erg naar de uitkomsten en effecten van de nieuwe woningwet. Het passend toewijzen zet op dit moment de investeringen wel een beetje op slot. Maar ten principale vind ik dus wel dat je het bij de corporaties zou moeten zoeken. In onze regio heeft 56 procent van de cliënten zijn eigen huis. Moeten we niet veel meer kiezen voor het passend maken van woningen? Daar geloof ik wel in.”
Van Monfort: “Wij praten ook met een aantal woningcorporaties, op individueel niveau. Dan bekijken we: wat kunnen we doen om mensen nog twintig jaar in hun woonwijk te laten wonen, wetende dat er kans is op gezondheidsproblemen? Kunnen wij in die wijk enkele woningen in het centrum vrijmaken, met gemeenschappelijke voorzieningen?"
Scheijgrond: “Maar als je op dit moment zo’n initiatief neemt dan steek je wel je nek uit. Want buiten het feit dat mevrouw Jansen behoefte aan zo’n woning zal krijgen, heb je geen enkele zekerheid.”
Van Rijn: “Dat intrigeert me. Is de beste zekerheid niet dat de cliënt het wil?”
Scheijgrond: “Maar dan moet je wel het lef hebben om te zeggen: mevrouw Jansen wil het, dus wie mij ook komt controleren, ik kan die keuze goed verantwoorden.”

Vastgoedstrategie

Van Rijn: “Interessant vind ik, als ik het gesprek even samenvat, dat iedereen het erover eens is: die persoonsgerichte ontwikkeling gaat gebeuren. Wat verhindert het nu
eigenlijk?”
Veuger: “Als ik het historisch bekijk, dan denk ik: woningcorporaties hebben er ook twintig jaar over gedaan om zelfstandig te worden. Men is er gewoon nooit zo mee bezig geweest. En dan zit je nog met conservatieve beleggers. Maar toch, rendementen op zorgvastgoed zijn, daar waar investeringen al hebben plaatsgevonden, beter dan voor de kantoor- en winkelmarkt.”
Berden: “Ik begrijp het ook niet goed. Als wij panden kopen, blijven we investeren, want dat is de beste exit die je kunt hebben. Waarom zou een corporatie dat niet doen? Dan doe je je eigen investeringsobject teniet.”
Van Rijn: “Voor mij blijft ook belangrijk dat de wensen van een cliënt leidend moeten zijn – pas dan bepaal je de vastgoedstrategie.”
De Goede: “Dat wordt overigens niet overal begrepen. Een collega vertelde dat hij pas naar een bank ging voor de financiering van zijn vastgoedproject. En die zei: mag ik uw meerjarencontract met de zorgverzekeraar zien? Dan ben je met elkaar wel een beetje de weg kwijt.”
Van Rijn: “Toch kun je niet zeggen dat de financiële positie van de sector slecht is.”
Scheijgrond: “Maar voor met name banken is het best een onbekende. En sommigen hebben een verkeerd beeld van de zorg, die horen vooral van forse bezuinigingen. Of ze hebben negatieve dingen gehoord over verpleegzorg. Dat moeten we wel zien om te draaien.”
Van Rijn: “Terwijl je fantastische voorbeelden van heel goede kwaliteit hebt.”
Scheijgrond: “Als we de focus daarop weten te krijgen, komt er ook meer vertrouwen. Dan zal men wel zien: hier zijn werken we met elkaar een maatschappelijk probleem. Maar dat vergt van ons allen misschien een hoop op de trommel slaan.”

Veuger:  “Dat lijkt me een mooie conclusie. Lokale wensen zijn leidend voor gedifferentieerde zorg, maar zorgvastgoed kan landelijk georganiseerd worden, waarbij schaal, kennis en transparantie van belang zijn.”